Home › Concept › Verspreiding 1990
Verspreiding vanaf 1990
In de jaren 90 was zorg voor transgender personen een kleine specialisatie in enkele centra. Bij het Britse GIDS, opgericht in 1989, werden in de eerste jaren minder dan 10 kinderen per jaar gezien, vooral prepuberale bij de geboorte als jongen geregistreerde kinderen (bron). Vroege uitkomststudies waren klein, en de zorg die later ontstond, groeide vanuit dit startpunt.
Een handvol centra, geen evidence
Diensten voor kinderen en jongeren met genderincongruentie begonnen halverwege de jaren 70 in Canada en in 1987 in Nederland (zie de Nederlandse uitrol); GIDS in Londen werd in 1989 opgericht (bron). Het Tavistock-model voor minderjarigen eindigde in 2024 toen NHS England GIDS sloot, na het tussenrapport van de Cass Review (sluiting van GIDS) (bron).
In 1979 publiceerden Jon Meyer en Donna Reter een follow-up van 50 mensen die een geslachtsaanpassing hadden aangevraagd, geopereerd en niet geopereerd (bron). Volgens de studentenkrant van Johns Hopkins vergeleek Meyer 29 geopereerde patiënten met 21 niet-geopereerden en concludeerde hij dat de operatiegroep niet beter aangepast was aan de samenleving; Hopkins stopte in 1979 met de operaties, en andere artsen bekritiseerden de studie als "ernstig gebrekkig in methoden en statistiek" (bron).
Volwassen mannen, klassieke transseksualisme
In de beginjaren van GIDS was de grootste groep prepuberale bij de geboorte als jongen geregistreerde kinderen; het werk richtte zich vooral op therapie met kinderen en gezinnen, en slechts een klein deel met aanhoudende genderincongruentie werd vanaf ongeveer 16 jaar doorverwezen voor hormoonbehandeling (bron). In 1989 publiceerde Ray Blanchard zijn typologie van mannelijke genderdysforie (Blanchard-typologie): in een studie onder 212 volwassen man-naar-vrouw-transseksuelen vond hij dat de niet-homoseksuele groepen vaker seksuele opwinding meldden bij de fantasie een vrouw te zijn ("autogynefilie") (bron).
De Cass Review beschrijft een duidelijke verandering in de samenstelling van de groep, van vooral prepuberale bij de geboorte als jongen geregistreerde kinderen naar vooral peri- of postpuberale bij de geboorte als meisje geregistreerde jongeren, zonder duidelijke verklaring (bron). Kaltiala e.a. (2020) noemen bewustwording, beschikbaarheid van zorg, destigmatisering en sociale en media-invloeden als mogelijke verklaringen, maar schrijven dat de redenen niet bekend zijn (bron). Zie de verspreiding vanaf 2010 en Littmans ROGD-hypothese.
Methodologisch waardeloze uitkomstmaten
Vroege uitkomststudies waren klein: Bodlund en Kullgren (1996) volgden 19 transseksuele patiënten vijf jaar, van wie 68% op ten minste twee terreinen van functioneren was verbeterd en 16% een onbevredigende uitkomst had (bron). De Cass Review (2024) noemt het bewijs over medische behandeling van jongeren "remarkably weak" (bron); NICE (2020) beoordeelde de zekerheid van het bewijs over puberteitsremmers als zeer laag (bron), en de Zweedse systematische review (2023, mede door medewerkers van het SBU) vond het bewijs onvoldoende (bron). Volgens de Cass Review stelt de WPATH 8-richtlijn de sterkte van het bewijs sterker voor dan die is (zie WPATH SOC) (bron).
Dhejne e.a. (2011) volgden alle 324 personen die tussen 1973 en 2003 in Zweden een geslachtsaanpassende operatie ondergingen en vergeleken hen met gematchte controles: de totale sterfte was hoger (gecorrigeerde hazard ratio 2,8), vooral overlijden door suïcide (19,1), en suïcidepogingen kwamen vaker voor (4,9) (bron). De auteurs concludeerden dat geslachtsaanpassing de genderdysforie weliswaar verlicht, maar mogelijk niet volstaat als behandeling, en pleitten voor betere psychiatrische en somatische zorg daarna.
Voorbereiding van de pediatrische uitrol
De jaren 90 brachten geen empirische doorbraak, maar wel een infrastructuur: gespecialiseerde klinieken en een internationaal netwerk (HBIGDA, later WPATH). De eerste casusbeschrijving over puberteitsremming verscheen in 1998, van Cohen-Kettenis en van Goozen in Utrecht (bron). Volgens de Cass Review werd het Dutch Protocol in Nederland ontwikkeld en later in het VK en internationaal overgenomen (bron); het werd ontwikkeld voor een andere groep dan de jongeren die zich vanaf 2014 aanmeldden (bron). Zie de Nederlandse pediatrische uitrol vanaf 2000 en het VUmc-protocol.
Veelgestelde vragen
Bij het Britse GIDS werden in de eerste jaren minder dan 10 kinderen per jaar gezien, vooral prepuberale bij de geboorte als jongen geregistreerde kinderen (Cass Review).
Vroege uitkomststudies waren klein (bijvoorbeeld 19 patiënten bij Bodlund en Kullgren, 1996). De Cass Review noemt het bewijs over medische behandeling van jongeren "remarkably weak".
Meyer en Reter (1979) rapporteerden over 50 aanvragers van geslachtsaanpassing; volgens de studentenkrant van Hopkins stopte Hopkins dat jaar met de operaties. Andere artsen bekritiseerden de studie als ernstig gebrekkig.
Zweedse cohortstudie (2011) van 324 personen na geslachtsaanpassende chirurgie, 1973–2003: totale sterfte aHR 2,8, suïcide aHR 19,1, suïcidepogingen aHR 4,9 vergeleken met controles.
Blanchard (1989): bij 212 volwassen man-naar-vrouw-transseksuelen meldden niet-homoseksuele patiënten vaker seksuele opwinding bij de fantasie een vrouw te zijn (autogynefilie).
Bronnen
- Bodlund, O., Kullgren, G. (1996). Transsexualism: general outcome and prognostic factors. A five-year follow-up study of nineteen transsexuals in the process of changing sex. Archives of Sexual Behavior, 25(3).
- Blanchard, R. (1989). The Concept of Autogynephilia. Journal of Nervous and Mental Disease.
- Dhejne, C. et al. (2011). Long-term follow-up of transsexual persons. PLOS ONE, 6(2).
- Meyer, J. K. & Reter, D. J. (1979). Sex reassignment. Archives of General Psychiatry.
- Cass, H. (2024). Independent Review — Final Report. NHS England.
- Hruz, P. W. (2020). Deficiencies in scientific evidence. Linacre Quarterly, 87(1).