Home › Onderzoek › Blanchard-typologie
Blanchard-typologie: twee routes, een omstreden theorie
Ray Blanchard, klinisch psycholoog aan het Clarke Institute (Toronto), beschreef vanaf de jaren tachtig een typologie die mannelijke transsexualiteit in twee scherp gescheiden routes opdeelt. De typologie is omstreden: een deel van het onderzoek ondersteunt haar, ander onderzoek spreekt haar tegen. Het boek van Bailey waarin ze werd uitgedragen, werd het mikpunt van een campagne tegen de auteur.
De twee types
Blanchard onderscheidde op basis van duizenden klinische dossiers twee fundamenteel verschillende routes:
- HSTS — vroeg-onset homoseksuele transsexualiteit. Biologisch mannen, vanaf jonge leeftijd vrouwelijk in gedrag, seksueel aangetrokken tot mannen. Vroege ontwikkeling, kleine omvang, géén erotisch motief. Statistisch gezien jongens die buiten dit kader vermoedelijk homoseksuele mannen waren geworden.
- AGP — laat-onset autogynefilische transsexualiteit. Biologisch mannen, in volwassen leeftijd transitionerend, seksueel aangetrokken tot vrouwen (of biseksueel/aseksueel). Gestoeld op autogynefilie: erotische opwinding bij de gedachte aan zichzelf als vrouw. Fundamenteel een seksueel patroon, geen "identiteit".
Onderzoek: steun en tegenspraak
- Blanchard (1989) — bij 212 volwassen transvrouwen meldden alle drie de niet-homoseksuele groepen vaker dan de homoseksuele groep seksuele opwinding bij de fantasie een vrouw te zijn (bron).
- Lawrence (2005, 2017) — een onderzoek naar de seksualiteit van 232 patiënten (2005) en een overzichtsartikel over de typologie en de controverses eromheen (2017; bron).
- Smith e.a. (2005) — vergeleek behandeluitkomsten: homoseksuele transseksuelen functioneerden na de behandeling op veel punten beter dan niet-homoseksuele; de slechtste uitkomsten meldden niet-homoseksuele aanvragers met veel psychopathologie en lichaamsontevredenheid (bron).
- Nuttbrock e.a. (2011) — bij 571 transvrouwen in New York grote, maar niet deterministische verschillen tussen homoseksuele en niet-homoseksuele groepen; anders dan Blanchard vonden zij ook verschillen binnen de niet-homoseksuele subtypes (bron).
- Veale e.a. (2008, 2014) — in 2008 deels in lijn met Blanchards theorie, deels ertegenin (wie als autogynefiel was ingedeeld, scoorde juist hoger op aantrekking tot mannen; bron); een taxometrische analyse in 2014 vond weinig steun voor twee typen (bron).
Dit is geen marginale hypothese, maar wel een omstreden: onderzoek levert zowel steun als tegenspraak op.
Waarom het onderscheid ertoe kan doen
Als de twee routes werkelijk verschillen, zoals Blanchard stelt, zegt een gemiddelde over beide groepen samen weinig. Smith e.a. (2005) vonden verschillen in uitkomsten tussen homoseksuele en niet-homoseksuele transseksuelen (zie hierboven), een argument om de groepen in onderzoek uit elkaar te houden. Of de typologie zelf klopt, is omstreden. Zie ook spijt-cijfers.
De aanval op de onderzoekers
Veel trans-activisten verwerpen de typologie. Bailey's boek The Man Who Would Be Queen (2003) werd het mikpunt van een campagne tegen de auteur, die Alice Dreger (2008) uitgebreid heeft gedocumenteerd (bron). Er is ook inhoudelijke kritiek, zoals de hierboven genoemde onderzoeken van Nuttbrock e.a. en Veale. Zie publicatiebias en intimidatie.
Implicaties voor de huidige genderzorg
De typologie van Blanchard gaat over mannelijke transsexualiteit bij volwassenen en zegt niets over de jongeren die zich in toenemende aantallen bij genderklinieken melden, onder wie vooral meisjes. De Cass Review beschrijft een verschuiving in de verwijzingen van vooral jongens vóór de puberteit naar vooral meisjes in of na de puberteit, zonder duidelijke verklaring (bron). Voor een deel van deze groep beschreef Lisa Littman in 2018, op basis van oudervragenlijsten, een patroon dat zij 'rapid-onset gender dysphoria' noemde; zij presenteert dit als hypothese en het tijdschrift benadrukte in een correctie dat het geen formele diagnose is (bron). Zie ook Cass Review, ROGD-cohort.
Blanchard's typologie betreft mannelijke transsexualiteit. Voor biologische vrouwen die transitioneren naar man is het beeld anders — de huidige ROGD-cohort van adolescente meisjes valt buiten deze typologie en vereist een eigen analyse.
Blanchard beschrijft het als de neiging van bepaalde mannen om erotisch opgewonden te raken bij de gedachte of het beeld van zichzelf als vrouw. Of dat een stoornis is, is een aparte vraag.
Omdat de typologie omstreden is: veel trans-activisten wijzen haar af, het onderzoek levert gemengde resultaten op en de campagne tegen Bailey (Dreger 2008) heeft het onderwerp beladen.
Bronnen
- Blanchard, R. (1989). The classification and labeling of nonhomosexual gender dysphorias. Archives of Sexual Behavior.
- Bailey, J.M. (2003). The Man Who Would Be Queen. Joseph Henry Press.
- Lawrence, A.A. (2017). Autogynephilia and the typology of male-to-female transsexualism. European Psychologist. doi.org
- Dreger, A. (2008). The controversy surrounding The Man Who Would Be Queen. Archives of Sexual Behavior.