GenderID.nl

Een geloof · geen feit · kritisch bekeken

Home › Concept › Nederlandse uitrol

Nederlandse uitrol

Het Dutch Protocol — puberteitsremming vanaf de vroege puberteit, gevolgd door cross-sekse hormonen en later chirurgie — is volgens de Cass Review ontwikkeld door Peggy Cohen-Kettenis, oprichter van de Utrechtse genderkliniek (bron). Het werd in het Verenigd Koninkrijk en internationaal overgenomen op basis van een prospectieve studie bij 70 patiënten, van wie er één na de operatie overleed (bron). De Gezondheidsraad stelde in 2026 vast dat de in de internationale praktijk toegepaste aanpak niet altijd overeenkomt met het huidige Nederlandse zorgmodel (bron).

Het ontstaan: Utrecht en de Nederlandse studies

Het team van Peggy Cohen-Kettenis zag van 1987 tot 2002 minderjarigen in Utrecht; het eerste geval van puberteitsremming publiceerden Cohen-Kettenis en Van Goozen in 1998 (bron). De Nederlandse prospectieve studie uit 2011 betrof 70 patiënten die tussen 2000 en 2008 puberteitsremmers kregen. Inclusiecriteria waren een minimumleeftijd van 12 jaar, levenslange genderdysforie die rond de puberteit toenam, psychische stabiliteit zonder ernstige bijkomende psychiatrische stoornissen en steun van het gezin (bron). De 70 waren een deel van 111 opeenvolgend verwezen gevallen, gekozen omdat zij als eersten klaar waren voor de volgende fase; de Cass Review merkt op dat de uitkomsten van de overige 41 niet zijn gerapporteerd. In de follow-up uit 2014 bij 55 jongvolwassenen (22 transvrouwen en 33 transmannen) was de genderdysforie verminderd en was het welbevinden vergelijkbaar met of beter dan dat van leeftijdgenoten uit de algemene bevolking; één deelnemer overleed na een vaginoplastiek aan necrotiserende fasciitis (bron). Zie VUmc-protocol kritiek voor de volledige methodologische analyse.

Internationale overdracht: een klein cohort tot wereldwijde standaard

In 2007 opende Norman Spack in Boston een kliniek naar het model van het Nederlandse protocol en begon hij puberteitsremmers voor te schrijven vanaf de vroege puberteit (bron). Het Verenigd Koninkrijk testte puberteitsremmers vanaf 2011 binnen een onderzoeksprotocol, in een ongecontroleerde studie met inclusiecriteria die aansloten bij het oorspronkelijke Nederlandse protocol (zelfde bron). Volgens Cass beïnvloedden vroege versies van de richtlijn van de Endocrine Society (2009) en WPATH SOC7 vrijwel alle andere richtlijnen (paragrafen 9.20–9.22; zelfde bron). De review merkt ook op dat de huidige groep een ander cohort is dan de groep in eerdere studies, en dat de aanpak later werd uitgebreid naar een bredere groep adolescenten die niet aan de criteria van de oorspronkelijke Nederlandse studie zouden hebben voldaan (bron). In Engeland verschoven de verwijzingen van vooral jongens vóór de puberteit naar vooral meisjes in of na de puberteit, zonder duidelijke verklaring (bron); zie de social-media-explosie en ROGD. De Cass Review beoordeelde de oorspronkelijke studie van De Vries e.a. (2011) als van matige kwaliteit, zonder verandering in genderdysforie (bron).

De Nederlandse cohort onder vuur

In 2023 publiceerde Michael Biggs een analyse van het Dutch Protocol in het Journal of Sex & Marital Therapy. Hij betoogt dat het belangrijkste bewijs kwam uit een longitudinale studie bij 70 adolescenten met kort na de operatie ogenschijnlijk positieve uitkomsten, behalve voor de patiënt die overleed, maar dat die steunde op weinig waarnemingen en onvergelijkbare maten van genderdysforie, en dat een replicatiestudie in Groot-Brittannië geen verbetering vond (bron, samenvatting). Abbruzzese, Levine en Mason (2023) publiceerden in hetzelfde tijdschrift een kritische evaluatie van de Nederlandse studies (bron). De Cass Review (2024) merkt op dat niet alle deelnemers (59–73% op de verschillende maten) na de behandeling vragenlijsten invulden, en dat alle patiënten regelmatig een psychiater of psycholoog zagen, waardoor de effecten van die gesprekken moeilijk te scheiden zijn van die van de puberteitsremmers (bron). Environmental Progress concludeert uit de WPATH Files (2024) dat WPATH-leden weten dat kinderen en jongeren de levenslange gevolgen van de behandeling niet kunnen overzien; dat is de lezing van Environmental Progress, en van de aangeschreven leden bevestigde één persoon de eigen uitspraken en bestreed een ander de interpretatie (bron).

Huidige Nederlandse situatie

Op 30 juni 2026 publiceerde de Gezondheidsraad het advies Transgenderzorg voor jongeren. De raad concludeerde dat somatische behandeling van jongeren met genderdysforie binnen het gezondheidsrechtelijk kader past, dat onderzoek laat zien dat de beoogde fysieke effecten worden bereikt, dat er aanwijzingen zijn voor enige verbetering in mentale uitkomsten en dat het aantal gevallen van spijt laag is. Daarbij tekent de raad aan dat de effecten op cognitie en vruchtbaarheid onvoldoende zijn onderzocht, dat gegevens op lange termijn ontbreken en dat het aantal mensen met spijt door korte follow-up en flinke uitval in studies niet betrouwbaar is vast te stellen (bron). De raad merkt op dat andere landen vaak naar het Dutch Protocol verwijzen, maar dat de internationale praktijk niet altijd overeenkomt met het huidige Nederlandse zorgmodel, dat de nadruk legt op stapsgewijze exploratie van de genderidentiteit. In Engeland en Zweden zijn puberteitsremmers en genderbevestigende hormonen voor jongeren nu alleen nog in onderzoeksverband beschikbaar; in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Polen en Frankrijk zijn ze onlangs juist steviger verankerd in richtlijnen en expertverklaringen (zelfde bron).

De Transgenderwet staat sinds 2014 wijziging van de geslachtsregistratie bij de burgerlijke stand toe na een deskundigenverklaring (artikel 1:28 BW; bron). Een wetsvoorstel dat de deskundigenverklaring zou afschaffen (Kamerstuk 35825, ingediend in mei 2021) werd door het kabinet ingetrokken met een brief van 11 augustus 2025, nadat de Tweede Kamer daar in april 2024 en opnieuw in april 2025 per motie om had gevraagd (bron).

Het juridische dossier over de Transgenderwet en zelf-identificatie staat op zelfidentificatie.nl.

Veelgestelde vragen

Bronnen

  1. De Vries, A.L.C. et al. (2014). Young adult psychological outcome after puberty suppression and gender reassignment. Pediatrics.
  2. Biggs, M. (2023). The Dutch Protocol for Juvenile Transsexuals: Origins and Evidence. Journal of Sex & Marital Therapy.
  3. Abbruzzese, E., Levine, S.B. & Mason, J.W. (2023). The Myth of "Reliable Research" in Pediatric Gender Medicine. Journal of Sex & Marital Therapy.
  4. Gezondheidsraad (2026). Transgenderzorg voor jongeren.
  5. Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report. NHS England.
  6. WPATH Files (2024). Environmental Progress.

Zie ook