Home › Concept › Robert Stoller
Robert Stoller
Robert Stoller (1924–1991), Amerikaanse psychiater en psychoanalyticus, werkte in 1968 in Sex and Gender het begrip "core gender identity" uit (bron). Dat begrip ligt aan de basis van het moderne denken over genderidentiteit, maar het is nooit empirisch getoetst als iets wat los van zelfrapportage meetbaar is.
Core gender identity: een psychoanalytische hypothese
Stoller stelde dat ieder mens in de eerste twee tot drie levensjaren een diepliggende, grotendeels vaste "core gender identity" ontwikkelt, en dat transseksualiteit ontstaat wanneer deze kern niet overeenkomt met het lichaam. De hypothese was psychoanalytisch: gebaseerd op klinische observaties en interpretaties van zijn eigen patiënten, niet op gecontroleerd onderzoek met een objectieve maat.
Het concept werd later de kern van de opvatting dat er een innerlijk "ware zelf" bestaat dat medische ingrepen kan rechtvaardigen. Als het niet anders vast te stellen is dan via de verklaring van de persoon zelf, is het een metafysische claim: niet toetsbaar en niet meetbaar.
Verschil met Money — en de interne tegenstrijdigheid
Waar John Money gender als grotendeels aangeleerd zag (en die opvatting in de Reimer-zaak met desastreuze gevolgen toepaste), ging Stoller uit van een vroeg vastgelegd innerlijk gegeven. Beide opvattingen — gender als constructie en gender als innerlijke essentie — leven naast elkaar voort in het hedendaagse debat, hoewel ze moeilijk samengaan. Zie ook cirkelredenering en onfalsifieerbaar.
Kritiek: zonder bewijs, zonder marker
Er is geen meetbare marker — geen hersenmarker, geen genetische marker, geen biomarker — die "core gender identity" objectiveert. Stollers werk bestond uit klinische casusbeschrijvingen met kleine aantallen en zonder controlegroep, en steunde op zelfrapportage als bron.
Ray Blanchard en later J. Michael Bailey stelden een andere verklaring voor een deel van de transseksualiteit bij mannen voor: autogynefilie, een parafilie. Die verklaring, de Blanchard-typologie, is omstreden.
Invloed: van consulting room naar wereldwijde doctrine
De diagnose "gender identity disorders" kwam in de DSM-III (1980); in de DSM-5 (2013) werd die vervangen door "gender dysphoria". In de ICD-11 staat "gender incongruence" niet meer bij de psychische stoornissen, maar in het hoofdstuk over seksuele gezondheid (bron; zie ICD-evolutie). Zie voor de verdere geschiedenis ook de WPATH Standards of Care, de eerste klinieken en de uitrol.
De Cass Review (2024) noemt de zorg voor jongeren met genderdysforie "an area of remarkably weak evidence" (bron). Zie ook het evidence-based bezwaar.
Veelgestelde vragen
Een door Stoller in 1968 uitgewerkt begrip: een vroeg in het leven gevormd, grotendeels vast innerlijk besef van het eigen geslacht. Er is geen objectieve marker voor.
Hij was psychiater en psychoanalyticus aan de UCLA. Zijn werk steunde op klinische casusbeschrijvingen, niet op gecontroleerd empirisch onderzoek.
Het begrip bood een eenvoudige verklaring en werd overgenomen in diagnostiek, richtlijnen en beleid. Het empirische bewijs voor de behandelingen die erop steunen is volgens de Cass Review zwak.
De Blanchard-typologie onderscheidt homoseksuele transseksualiteit en autogynefilie. Die typologie is omstreden.
Bronnen
- Stoller R.J. (1968). Sex and Gender: On the Development of Masculinity and Femininity.
- Bailey J.M. (2003). The Man Who Would Be Queen.
- Blanchard R. (1989). The Concept of Autogynephilia. Journal of Nervous and Mental Disease.
- Cass, H. (2024). Independent Review — Final Report. NHS England.