GenderID.nl

Een geloof · geen feit · kritisch bekeken

Home › Concept › DSM-evolutie

DSM-evolutie

De DSM verschoof in ruim dertig jaar van "transsexualism" (DSM-III, 1980) via "gender identity disorder" (DSM-IV, 1994) naar "gender dysphoria" (DSM-5, 2013). Sinds 2013 richt de diagnose zich op het lijden en niet op de identiteit zelf (bron).

DSM-III (1980): transseksualisme en GID bij kinderen

In 1980 verscheen met DSM-III voor het eerst een diagnose over genderidentiteit in de DSM: "transsexualism" voor adolescenten en volwassenen (bron) en "gender identity disorder" alleen voor kinderen (bron). De psychoanalyticus Robert Stoller had in 1968 in Sex and Gender als hypothese gesteld dat het gevoel van "core gender identity" voortkomt uit drie bronnen: de anatomie en fysiologie van de genitaliën, de houding van de omgeving tegenover de genderrol van het kind en een biologische kracht (bron); zie Stoller.

DSM-IV (1994) en DSM-IV-TR (2000)

DSM-IV verving "transsexualism" door "gender identity disorder" (GID), met aparte criteria voor "GID in children" en "GID in adolescents and adults" (bron). Onderzoek uit deze periode liet zien dat de meeste kinderen met genderdysforie die na de puberteit niet meer hadden: in de studie van Wallien en Cohen-Kettenis (2008) onder 77 kinderen was 27 procent nog genderdysfoor, 43 procent niet meer en 30 procent niet te traceren. Vrijwel iedereen bij wie de dysforie bleef, had een homo- of biseksuele gerichtheid; van de kinderen bij wie ze verdween, had de helft van de jongens en alle meisjes een heteroseksuele gerichtheid (bron). Zie ook het desistance-onderzoek.

Kenneth Zucker, voorzitter van de DSM-5-werkgroep voor seksuele en genderidentiteitsstoornissen, werd in 2015 ontslagen bij CAMH Toronto; de kliniek werd gesloten nadat een externe review concludeerde dat zij niet meer aansloot bij de gangbare klinische praktijk. Zucker procedeerde tegen CAMH, dat in 2018 een schikking van 586.000 dollar trof en excuses aanbood voor een onjuiste bewering over hem in het rapport (bron).

DSM-5 (2013): Gender Dysphoria

De APA verving "gender identity disorder" in 2013 door "gender dysphoria". Volgens de APA richt de diagnose zich daarmee op het lijden dat sommige transgender personen ervaren en niet op transgender personen of identiteiten zelf; de DSM-5 stelt uitdrukkelijk dat "gender non-conformity is not in itself a mental disorder" (bron). Zie ook de parallelle evolutie van de ICD en de Yogyakarta-principes.

Sinds 2013 is lijden onderdeel van de diagnose: de APA schrijft dat genderdysforie ego-dystoon moet zijn om als diagnose te gelden (bron). Stephen Levine (2021) pleit in Archives of Sexual Behavior voor een uitgebreide evaluatie en noemt het relevant en ethisch om te onderzoeken welke biologische, sociale en psychologische krachten iemand ertoe hebben gebracht een nieuwe identiteit aan te nemen (bron).

Implicaties voor de zorg

De Cass Review (2024) beveelt aan dat elk kind dat bij een Britse genderkliniek komt, wordt gescreend op autisme en andere ontwikkelingsstoornissen en een psychiatrische beoordeling krijgt (bron). Environmental Progress concludeert uit de WPATH Files (2024) dat WPATH-leden weten dat kinderen en jongeren de levenslange gevolgen van de behandeling niet kunnen overzien. Dat is de lezing van Environmental Progress: van de aangeschreven leden bevestigde één persoon de eigen uitspraken en bestreed een ander de interpretatie (bron).

Veelgestelde vragen

Bronnen

  1. American Psychiatric Association (2013). DSM-5.
  2. Levine, S. (2021). Reflections on the Clinician's Role with Individuals Who Self-identify as Transgender. Archives of Sexual Behavior.
  3. Wallien, M.S.C. & Cohen-Kettenis, P.T. (2008). Psychosexual outcome of gender-dysphoric children. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry.
  4. Cass, H. (2024). Independent Review — Final Report. NHS England.
  5. WPATH Files (2024). Environmental Progress / Mia Hughes.

Zie ook