Home › Onderzoek › Desistance
Desistance: wat follow-upstudies zeggen over kinderen met genderdysforie
Een veelbesproken bevinding over kindertijd-genderdysforie is dat die bij de meerderheid van de kinderen die vóór de puberteit werden aangemeld, in de oudere follow-upstudies niet aanhield tot in de volwassenheid. Meestal werden dat volwassenen die homoseksueel of biseksueel zijn. Die studies zijn bekritiseerd, onder meer omdat niet alle kinderen een formele diagnose hadden, en ze zeggen weinig over de jongeren die zich tegenwoordig aanmelden; over het effect van puberteitsremmers zijn volgens de systematische review voor de Cass Review geen conclusies te trekken (bron).
Wat desistance is
Desistance — het vanzelf verdwijnen van genderdysforie in de adolescentie zonder medische interventie. De term komt uit de klinische literatuur; de bekendste follow-upstudies komen uit Canada (Toronto) en Nederland (Amsterdam).
De cijfers
- Steensma e.a. (2013) — 127 in de kindertijd (jonger dan 12 jaar) verwezen jongeren: hoe sterker de genderdysforie in de kindertijd, hoe groter de kans op persistentie; de kans was groter bij geboren meisjes.
- Wallien & Cohen-Kettenis (2008) — 77 verwezen kinderen: 43% was op 16-jarige of oudere leeftijd niet meer genderdysforisch, 27% nog wel en 30% was niet bereikt of niet te traceren.
- Drummond e.a. (2008) — 25 meisjes: bij 3 (12%) was er bij follow-up nog sprake van genderdysforie.
- Singh e.a. (2021) — 139 jongens: 87,8% desisters; 36,7% van de jongens voldeed in de kindertijd niet aan de volledige diagnostische criteria.
Volgens de Cass Review bleef in eerdere studies bij ongeveer 15 procent van de kinderen die vóór de puberteit waren aangemeld de genderincongruentie bestaan tot in de volwassenheid; in latere studies bij kinderen die wél aan de diagnostische criteria voldeden, lag dat tussen 10 en 33 procent (bron).
Wat de meeste desisters worden
Volgens de Cass Review werden de meeste van deze kinderen als volwassene homoseksueel of biseksueel, zonder transgenderidentiteit (bron). De cijfers verschillen per studie: bij de jongens in de Toronto-studie (Singh e.a. 2021) gaf 63,6% van de deelnemers, inclusief de persisters, een biseksuele of androfiele oriëntatie in fantasie aan; bij de meisjes (Drummond e.a. 2008) was 32% homo- of biseksueel in fantasie; in de Amsterdamse studie (Wallien & Cohen-Kettenis 2008) waren bij de desisters alle meisjes heteroseksueel en was ongeveer de helft van de jongens homo- of biseksueel.
De activistische tegenwerping ontleed
Critici beweren dat desistance-cijfers verouderd zijn of vermengd met "alleen genderafwijkend gedrag". Dat verwijt is deels terecht: in de studies van Singh e.a. (2021) en Drummond e.a. (2008) voldeed respectievelijk 36,7% en 40% van de kinderen in de kindertijd niet aan de volledige diagnostische criteria, en ook de Cass Review noemt die kritiek op de eerste studies. Latere studies bij kinderen die wél aan de criteria voldeden, vonden een persistentie van 10 tot 33 procent. Zie ook ROGD-onderzoek, detransitie-cijfers en het Zhou-hersenonderzoek.
Sociale transitie sluit de uitgang
Volgens de Cass Review gaat de overgrote meerderheid van de jongeren die met puberteitsremmers beginnen daarna door naar hormonen (bron). In de studie van Steensma e.a. (2013) voorspelde sociale transitie in de kindertijd bij geboren jongens dat de genderdysforie aanhield — een samenhang, geen bewijs van oorzaak. De Cass Review noemt sociale transitie een actieve interventie die het verloop van de identiteitsontwikkeling mogelijk verandert, maar schrijft ook dat door het zwakke onderzoek veel onbekend is (bron). Zie ook de kritiek op het Dutch Protocol.
Wat dit betekent
Een deel van de kinderen die vóór de puberteit worden aangemeld, groeit er volgens de oudere studies overheen. Over het effect van puberteitsremmers op genderdysforie en mentale gezondheid zijn volgens de systematische review voor de Cass Review geen conclusies te trekken (bron). Wat er bij de sluiting van Tavistock speelde, staat in dat artikel.
De klassieke cijfers betreffen kindertijd-dysforie. Voor adolescente Rapid-Onset Gender Dysphoria — zie Littman 2018 — zijn geen vergelijkbare follow-upcijfers bekend; volgens de Cass Review is er geen goed bewijs over de langetermijnuitkomsten van interventies voor genderverwante nood.
WPATH SOC 8 bespreekt de studies naar persistentie ook en raadt bij sociale transitie van kinderen extra aandacht aan voor kinderen die consistent en vaak aanhoudend een genderidentiteit verwoorden die niet past bij het bij de geboorte vastgestelde geslacht. De Cass Review beschrijft de persistentiecijfers (ongeveer 15 procent in eerdere studies, 10 tot 33 procent in latere studies) en wijst op de kritiek op de eerste studies.
Nee. "Niets doen" en de natuurlijke ontwikkeling afwachten is precies geen actieve therapie. Volgens de Cass Review is sociale transitie wél een actieve interventie, omdat ze aanzienlijke effecten kan hebben op het psychisch functioneren en de uitkomsten op langere termijn; de bewijsbasis voor de zorg voor deze jongeren noemt Cass "an area of remarkably weak evidence".
Zie je twijfel of dysforie bij je kind? Leg je observaties als ouder of naaste zwart-op-wit vast
Naar de ouderenquêteBronnen
- Wallien, M.S.C. & Cohen-Kettenis, P.T. (2008). Psychosexual outcome of gender-dysphoric children. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry. pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/18981931
- Steensma, T. et al. (2013). Factors associated with desistence and persistence of childhood gender dysphoria. JAACAP.
- Singh, D. et al. (2021). A follow-up study of boys with gender identity disorder. Frontiers in Psychiatry. europepmc.org/article/MED/33854450
- Drummond, K.D. et al. (2008). A follow-up study of girls with gender identity disorder. Developmental Psychology. europepmc.org/article/MED/18194003