GenderID.nl

Een geloof · geen feit · kritisch bekeken

Home › Kritiek › Geen genetische marker

Geen genetische marker voor genderidentiteit

Er is tot nu toe geen genetische marker voor genderidentiteit vastgesteld. Volgens de Cass Review is er geen duidelijk bewijs voor een eenvoudige biologische oorzaak van genderincongruentie, al kan een biologische aanleg bij sommigen meespelen (par. 8.21) (bron).

Wat GWAS doet — en wat het hier niet vindt

Genome-Wide Association Studies vergelijken honderdduizenden SNP's tussen groepen om associaties met een fenotype te vinden. Bij homoseksualiteit, schizofrenie en autisme zijn zo polygene signalen vastgesteld, klein maar reproduceerbaar. Voor "genderidentiteit" is tot nu toe geen genetische marker vastgesteld; het beschikbare onderzoek staat hieronder. Dit raakt direct aan de metafysische claim die aan de hele diagnostiek ten grondslag ligt.

Wat de studies werkelijk tonen

Heylens e.a. (2012) zetten de gepubliceerde tweelinggevallen op een rij: van 23 eeneiige tweelingparen waren er negen (39,1 procent) concordant voor genderidentiteitsstoornis, tegen geen van 21 gelijkgeslachtelijke twee-eiige paren; de auteurs zien daarin een mogelijke rol van genetische factoren (bron). Polderman e.a. (2018) stellen als hypothese dat genderidentiteit een complexe, multifactoriële eigenschap is met een erfelijke polygene component (bron). Theisen e.a. (2019) deden exoomsequencing bij 30 transgender personen (13 transmannen en 17 transvrouwen) en vonden 21 zeldzame varianten in 19 genen die met seksedimorfe hersenontwikkeling samenhangen; de auteurs zien dat als aanknopingspunt voor verder onderzoek, niet als marker (bron). Het gaat dus om aanwijzingen en hypotheses, niet om een vastgestelde genetische marker.

Tweelingstudies: beperkte aanwijzingen

Tweelingstudies zijn beperkt. Volgens de Cass Review steunden de meeste vooral op rapportage door ouders, volgden ze deelnemers niet tot in de volwassenheid en/of hadden ze kleine steekproeven (par. 8.13); oudere studies suggereerden dat eeneiige tweelingen vaker dezelfde genderidentiteit hadden dan twee-eiige, wat op enige genetische invloed wijst. Een recentere Zweedse registerstudie (Karamanis e.a., 2022; 2001-2016) vond geen bewijs voor genetische invloed bij gediagnosticeerden, maar zag wel dat twee-eiige tweelingen van verschillend geslacht veel vaker concordant waren dan gewone broers en zussen (37 tegenover 0,16 procent) (par. 8.14) (bron).

Waarom dit ertoe doet

Zonder genetisch bewijs blijft de claim "zo geboren" een onbewezen hypothese. De Cass Review merkt op dat het zoeken naar een biologische oorzaak voor sommige clinici de rechtvaardiging van medische behandeling versterkt (bron). Dezelfde leegte zien we bij de vermeende hersenmarker en in de bredere afwezigheid van enige meetbare marker. Bij gebrek aan een marker steunt de beoordeling op zelfrapportage binnen een klinische beoordeling; volgens de Cass Review bevelen maar weinig richtlijnen formele meetinstrumenten aan en zijn de bestaande slecht gevalideerd (par. 10.8) (bron). De Cass Review noemde het bewijs voor de praktijk "remarkably weak". In het voorwoord schrijft Hilary Cass dat er weinig andere gebieden in de zorg zijn waar professionals zo bang zijn om openlijk hun mening te geven (bron).

Bronnen

  1. Polderman, T. J. C., et al. (2018). The Biological Contributions to Gender Identity and Gender Diversity. Behavior Genetics, 48(2). Springer
  2. Theisen, J. G., et al. (2019). The Use of Whole Exome Sequencing in a Cohort of Transgender Individuals. Scientific Reports, 9.
  3. Heylens, G., et al. (2012). Gender identity disorder in twins. Journal of Sexual Medicine, 9(3).

Zie ook