Zucker (2026): moeders en dochters herinneren zich gendergedrag in de kindertijd anders
Een nieuwe analyse van klinisch psycholoog Kenneth Zucker levert empirisch materiaal voor het omstreden begrip "rapid-onset gender dysphoria" (ROGD): de hypothese dat een deel van de adolescenten — overwegend geboren als meisje — pas in de puberteit voor het eerst tekenen van genderdysforie vertoont, zonder dat daar in de kindertijd iets aan voorafging.
Zucker herzag in 2026 de bestaande evidentie over het beginmoment van genderdysforie en voegde daar nieuw materiaal aan toe: een directe vergelijking tussen wat moeders zich herinneren over het gendernonconforme gedrag van hun dochter in de kindertijd, en wat de dochters daar zelf later van zeggen te weten.
Wat het onderzoek toevoegt
Voor 156 moeder-dochterparen (dochters gemiddeld 15,31 jaar oud) werd het gendernonconforme gedrag in de kindertijd op twee manieren gemeten: via het geheugen van de moeder en via het eigen geheugen van de dochter, met dezelfde vragenlijst. De dochters rapporteerden systematisch méér gendernonconform gedrag in hun kindertijd dan hun moeders zich herinnerden. De correlatie tussen beide bronnen kwam uit op 0,56 — een matig verband, waarbij de twee herinneringen elkaar in een aanzienlijk deel van de gevallen tegenspreken.
Voor Zucker is dat een aanwijzing dat een retrospectief zelfverslag van een adolescent geen betrouwbare vervanging is voor onafhankelijk, destijds vastgelegd gedrag — juist op het punt waar de diagnostiek er het zwaarst op leunt.
Waarom dit voor de diagnostiek ertoe doet
De gangbare aanname in de genderzorg is dat aanhoudende genderdysforie sinds de kindertijd iets anders voorspelt dan dysforie die pas in de puberteit opkomt, vooral bij meisjes. Het onderscheid tussen beide groepen steunt in de praktijk vaak vrijwel volledig op wat de patiënt zelf vertelt over de eigen kindertijd — er is zelden een onafhankelijke bron zoals een ouder die dat kan bevestigen of tegenspreken.
Zuckers cijfers laten zien dat wanneer die onafhankelijke bron er wél is, ze in bijna de helft van de gevallen een ander beeld geeft dan het zelfverslag. Dat maakt de scheidslijn tussen "vroeg beginnende" en "rapid-onset" dysforie minder hard dan de indeling in de praktijk vaak wordt gepresenteerd.
Een omstreden begrip
ROGD blijft een van de meest omstreden termen in het gendersdebat. De American Psychological Association, WPATH en zo'n zestig andere beroepsorganisaties hebben eerder opgeroepen de term uit de klinische praktijk te schrappen, met als argument dat de wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt en dat het concept stigmatiserend zou werken voor jongeren die transgenderzorg zoeken.
Zucker presenteert zijn cijfers nadrukkelijk als aanvullend bewijs in een lopend en gepolariseerd debat, niet als afgerond bewijs: zijn onderzoek gaat over het moment waarop dysforie zich voor het eerst aandient, niet over de vraag of transitie voor een individuele patiënt de juiste behandeling is. Het voegt wel een concreet methodologisch probleem toe aan de discussie — het zelfrapport waarop veel diagnostiek leunt, blijkt minder stabiel dan vaak wordt aangenomen.
Bron
Zucker, K.J. (2026). Is "rapid-onset" gender dysphoria in adolescence a new clinical phenomenon? European Journal of Developmental Psychology.
Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Wat is rapid-onset gender dysphoria (ROGD)?
Een voorgestelde vorm van genderdysforie die pas in de adolescentie ontstaat, vooral bij geboren meisjes, zonder dat er in de kindertijd al tekenen van waren.
Wat laat Zuckers onderzoek uit 2026 zien?
Bij 156 moeder-dochterparen kwam het geheugen van moeders over gendernonconform gedrag in de kindertijd van hun dochter maar matig overeen (r=0,56) met wat de dochters zich daar zelf van herinnerden.
Wordt ROGD algemeen erkend als klinisch begrip?
Nee. De APA, WPATH en zo'n zestig andere beroepsorganisaties hebben opgeroepen de term niet te gebruiken, met als argument dat de wetenschappelijke basis ontbreekt en het concept stigmatiserend zou zijn.